Home SCHOOL EN THUIS Opvoedthema's Dat komt in ons gezin niet voor...
Dat komt in ons gezin niet voor...

Je hebt een leuk gezin, woont in een nette buurt en je kinderen doen geen rare dingen. Totdat de politie voor de deur staat en vertelt dat jouw 16-jarige zoon met vrienden uit balorigheid en met een slok op na het uitgaan een bushokje heeft vernield. Totale verbijstering. Hoe ga je daar in het gezin mee om?
Jongeren vallen relatief gemakkelijk ten prooi aan criminaliteit. In de puberteit komt het ouderlijk en onderwijs gezag van nature onder vuur te liggen. Jongeren experimenteren met nieuwe dingen en ze verkennen de grenzen van het toelaatbare. Dat die grenzen af en toe worden overschreden, wordt als normaal of zelfs gezond beschouwd.
Waarom het de een uiteindelijk wel lukt zich aan de regels van de maatschappij te houden en de ander niet ligt aan een complex van (risico)factoren, zoals de persoonlijkheid van het kind, het gezin, de school en de omgang met leeftijdgenoten. De optelsom van deze factoren kán het kind in een kwetsbare positie brengen.

Emotioneel
Voor ouders is het een onaangename verrassing als hun kind in aanraking met de politie. Ze zijn ontdaan en vragen zich af hoe dit kan. ‘Wat hebben we verkeerd gedaan?’ ‘Hadden we eerder moeten ingrijpen?’ Overkomt je dit als ouders, dan is het begrijpelijk dat je boos en teleurgesteld bent. Toch is het belangrijk niet meteen van leer te trekken, maar je kind eerst zijn* verhaal te laten doen. Natuurlijk mag je je kind best laten weten welke emoties zijn gedrag teweeg brengt. Geef daarbij duidelijk aan dat je vindt dat hij verkeerd bezig is en waarom. Probeer als opvoeders ook altijd op één lijn te staan.
Voor een steuntje in de rug kunnen ouders voor informatie en advies terecht bij Bureau Halt, maar ze kunnen ook met hun kind naar de huisarts gaan. Op die manier hoort het kind van een autoriteit wat van iemand van deze leeftijd verwacht mag worden en wat de gevolgen zijn van bepaald gedrag. Bovendien kan de huisarts indien nodig doorverwijzen.

Betrokkenheid
Zeer waarschijnlijk zal je kind na afloop spijt hebben en zich een tijdje goed gedragen. Maar vaak gebeuren er weer dingen, zoals te laat thuiskomen of spijbelen. Laat je kind dan duidelijk weten dat hij of zij over grenzen gaat. Je leeft tenslotte in één huis en moet rekening met elkaar houden. Denk ook niet bij een klein vergrijp: ‘Ach, dat is toch zo erg niet’. Een grens is een grens. Ook al gaan ze daar maar een klein stukje overheen, ze moeten toch meteen teruggefloten worden. Zo leren ze die grens precies kennen. Straffen (niet naar de stad, niet uitgaan) is een mogelijkheid, maar gaat je kind vaker de fout in, dan helpt dat niet altijd meer. Belangrijk is dat je blijft praten met je kind en betrokken blijft. Laat je kind zien dat het niet alleen anderen schade toebrengt, maar vooral ook zichzelf: wat is zijn woord nog waard? Je kind moet leren dat afspraken met mensen die van hem houden belangrijk zijn en dat hij daar uiteindelijk zelf ook bij wint. Vertrouwen, zelfrespect en vrijheid bijvoorbeeld.

Een nieuwe kans
Blijf je kind dus wijzen op zijn verantwoordelijkheden. Laat hem als hij echt de fout in gaat ook zelf (eventueel deels) de financiële gevolgen dragen van zijn gedrag. Desnoods door er voor te werken. Werk ook mee aan een eventuele taakstraf, zodat je kind goed beseft dat de consequenties van zijn gedrag voor zijn rekening komen.
Maar geef je kind wel steeds weer een kans. Zeg nooit: ‘Bekijk het maar’ of ‘Zoek het maar uit’. Blijf altijd betrokken. Laat je kind weten dat je zijn gedrag afkeurt, maar dat je hem of haar nooit zult laten vallen. Onthoud daarbij dat een kind dat één keer de fout ingaat, dat niet per se weer doet: verkeerd gedrag is vaak eenmalig. Als je als ouders goed reageert op de misstappen van je kind, kan dat de kans verkleinen dat je kind echt ontspoort.

Tips

  • Je kunt nooit voorkomen dat je kind iets strafbaars doet. Wel zijn er een aantal zaken die het risico daarop kunnen beperken. Dat begint al op jonge leeftijd, zoals:
  • Besteed veel tijd samen met je kind. Laat merken dat je blij met hem of haar bent, dat je het leuk vindt dingen samen te doen (voorlezen, een spelletje doen, klussen).
  • Ga met je kind niet alleen maar op stap om te winkelen en boodschappen te doen. Ga ook naar het bos, lekker fietsen, naar het speeltuintje en naar de bibliotheek.
  • Dingen die echt niet kunnen, mogen niet. Nee is nee. Vanaf dat kinderen kunnen praten moeten ze dat al meekrijgen. Geef wel aan wat wel mag; bied een alternatief.
  • Leg uit waarom dingen niet kunnen of mogen. Kinderen moeten wennen aan wat normaal is. En ze moeten er aan wennen dat niet altijd kan wat ze graag willen.
  • Leid hun aandacht af van iets waar ze om blijven zeuren of vervelend gedrag waar ze in blijven hangen. Ga pannenkoeken bakken of haal een spel uit de kast dat ze al bijna vergeten waren.
  • Bied structuur. Zeker als kinderen klein zijn hebben ze een vaste regelmaat in het dagprogramma nodig.
  • Stimuleer samen (buiten) spelen met andere kinderen. Bied mogelijkheden voor spelen met zand en water, tekenen en knutselen, verkleden, spelletjes. Het klinkt vanzelfsprekend, maar zo leren kinderen hoe je samen met vriendjes je tijd doorbrengt.
  • Zorg dat er altijd iemand thuis is als ze uit school komen of dat ze bij iemand anders terechtkunnen om hun verhaal te vertellen en wat te drinken. Maak afspraken over waar ze mogen spelen.
  • Ieder kind begaat wel eens een kleine misstap: een snoepje pikken, een euro uit de jaszak van je moeder pakken… Niets verontrustends, maak er geen drama van, maar maak wel duidelijk dat dit niet kan.
  • Sluit elke dag goed af. Ook al is je kind voor straf naar bed gestuurd of heeft het kwaad de deur achter zich dicht gesmeten, ga nog even praten of roep in ieder geval nog iets aardigs door die dichte deur.
  • Geef het goede voorbeeld. Door dagelijks aan den lijve te ondervinden hoe je op een goede manier met elkaar samenleeft, krijgt je kind een innerlijk kompas waardoor het weet wat kan en niet kan.
 
Ik oefen met mijn kind voor de Cito Eindtoets