Home SCHOOL EN THUIS Onderwijsthema's Waarom leert uw kind realistisch rekenen?

 

Waarom leert uw kind realistisch rekenen?     

 

Wie twintig jaar geleden op de lagere school zat, heeft heel anders leren rekenen dan zijn kind dat nu doet. Tegenwoordig wordt er namelijk ‘realistisch gerekend’. Hoe gaat dat in zijn werk?

In de afgelopen jaren is het besef gerijpt dat bij kinderen veel meer inzicht in cijfermatige zaken bereikt kan worden als rekenkundige kwesties (sommen) op een heel andere manier worden aangeboden. Daarom hanteren leerkrachten tegenwoordig liever de realistische rekenmethode.

Hierin past het niet om te beginnen met ‘kale sommen’. De som wordt concreet gemaakt door hem in een reële situatie te plaatsen. Ter illustratie de som 3 1/2 x 2 1/4. Wie realistisch rekent hoort het volgende verhaal: als je op een parkeerterrein 3 ½ uur wilt parkeren, en het kost 2,25 euro per uur, wat moet je dan uiteindelijk betalen? Deze aanpak maakt de som niet makkelijker, maar wel begrijpelijker. Je weet waar je mee bezig bent, je kunt je er iets bij voorstellen.

 

De motivatie van de leerling om de som op te lossen, zal ongetwijfeld groter zijn, dan wanneer hij een ‘kale’ nietszeggende som voorgeschoteld krijgt. Er wordt bovendien veel meer verwacht van de leerling zelf. Hij moet het initiatief nemen om te komen tot de oplossing en daarvoor strategieën bedenken. Deze moet hij daarna kritisch bekijken: is dit wel de beste en de snelste manier?

 

Vijf kenmerken van realistisch rekenen


1. Contexten
De leerkracht probeert bij de rekenles de som in een herkenbare situatie te plaatsen. Zo kan de leerkracht op de dag voorafgaand aan de 10-minutengesprekken de kinderen 'haar probleem’ voorleggen: er komen morgen 25 ouders op school om te praten en dan moet er koffie geschonken worden. In het koffiezetapparaat kan zoveel water voor zoveel koppen koffie. Hoeveel water en koffie heb ik dan nodig? En als ik de ouders dan twee koppen koffie wil geven, hoeveel moet ik dan aan water en koffie hebben?

 

2. Schema’s en modellen
Een schema of een model is een manier om een probleem visueel te maken. Je kunt op het bord laten zien waarmee je bezig bent. Een simpel model dat we allemaal kennen is de (lege) getallenlijn.
Daarop kun je zien dat je eerst 15 + 5 kan doen, dan sta je al op de 20. Dan hoef je nog maar een stapje van 2 en dan ben je op de 22.
Een ander model is bijvoorbeeld een chocoladereep. Je hoeft niet bang te zijn dat de leerlingen 3/4 van de reep zullen kiezen als ze ook 5/6 kunnen krijgen!

 

3. Inbreng van leerlingen
Kinderen moeten leren zelf tot een oplossing te komen. Zo wordt er bijvoorbeeld in een blok in de rekenmethode Pluspunt als inleiding op het onderwerp ‘meten’ het volgende probleem gesteld. Vier kinderen zijn gaan voetballen en hebben de bal door de ruit geschoten. Nu moeten ze van de leerkracht de glazenzetter bellen, maar die moet natuurlijk wel weten hoe groot de ruit moet zijn die hij moet inzetten. Hoe kunnen de leerlingen dit oplossen?

Er ontstaat een discussie in de klas, waarbij de kinderen allerlei mogelijkheden aandragen. Iemand stelt voor het gat te meten met schriften (dit is één van de vorige lessen aan de orde geweest) en dan aan de glazenzetter vertellen hoeveel schriften het gat groot is. Ja, maar die glazenzetter heeft toch geen schriften en als hij ze had, zouden ze dan van dezelfde afmeting zijn? Een ander suggereert om met de hand te meten. Maar ja, de glazenzetter heeft veel grotere handen. Uiteindelijk komen leerkracht en leerlingen met elkaar tot de conclusie dat het erg handig zou zijn als er een vastgestelde maat is. Enkele kinderen weten ook al dat die er is: de duimstok van pa en de centimeter van mam. Op dat moment begint de leerkracht met de uitleg over de meter en de centimeter en het gebruik ervan.
Door deze manier van werken gaan leerkracht en leerlingen het gesprek met elkaar aan. De nuttige informatie komt daarbij niet alleen van de leerkracht.

De inbreng van de leerlingen tijdens de (instructie)les is erg belangrijk; het stimuleert hun denkproces en zij leren van elkaar. Bij het bespreken van een som blijkt dat er verschillende manieren zijn om hem op te lossen. Omdat kinderen zien dat de ene manier sneller gaat dan de andere, zullen ze zelf ook die snellere gaan gebruiken.

 

4. Ruimte voor eigen oplossingswijzen
Kinderen leren allemaal in hun eigen tempo. Het huidige onderwijs houdt daar, meer dan vroeger, rekening mee. In vaktermen heet dat adaptief onderwijs. Het onderwijs sluit aan bij het ontwikkelingsniveau dat je kind op dat moment heeft.
Daarnaast gaat de methode uit van progressief schematiseren. Dat houdt in dat de manier om tot oplossingen te komen steeds ingekort kan worden. De snelheid waarmee de leerlingen gaan inkorten, wordt ingegeven door hun eigen ontwikkelingstempo.

 

5. Samenhang met andere onderwerpen in het rekenonderwijs
Kinderen krijgen meer inzicht als zij verschillende onderwerpen in samenhang zien. Een voorbeeld hiervan is de volgende probleemstelling die opgelost kan worden door verhoudingen, breuken en procenten te gebruiken.
In de krant staat het volgende. Voetballer W.de H. heeft weer twee doelpunten gescoord. Hiermee brengt hij zijn totaal op 24 doelpunten uit 26 wedstrijden. Dit is beter dan de topscorer van “schiet maar raak” die nu 31 doelpunten uit 33 wedstrijden heeft. De vraag aan de leerlingen is: klopt deze uitspraak?

 

De rijtjes zijn niet verdwenen!
Realistisch rekenen is beter en aantrekkelijker voor leerlingen dan de rijen sommen uit het ouderwetse rekenboekje. Maar denk niet dat uw kind nooit meer een rijtje sommen maakt. Er moet nog steeds geoefend worden.

 

 













Door de bezuinigingen in het onderwijs zullen ouders meer moeten bijspringen op school